|
Het was kennelijk de bedoeling van de brievenschrijfster om alsnog een kraam op te mogen richten in Lisse, ondanks dat de kermis in dit jaar van gemeentewege werd verboden. Het was niet de eerste keer dat een kermis werd afgelast of voorstellen in die richting werden gedaan.
De aardappelziekte, 1845
In 1845 was er in Zuid-Holland een ernstige aardappelziekte geconstateerd. Hele oogsten mislukten in dat jaar. De provincie had al de nodige middelen beraamd voor de aanstaande nood. Reden waarom de burgemeester, Van Rosse, voorstelde in dat jaar geen kermis te houden, omdat hij de noodsituatie niet kon verenigen met het organiseren van feestelijkheden. In de gemeenteraadsvergadering van 19 september 1845 werd het voorstel besproken, maar verworpen. De kermis zou toch doorgang vinden 'om den wille der neringdoende in deze gemeente en de Logement en Tapperijhouders'. Aan het economisch belang werd dus in dit geval een grotere waarde gehecht. Als het hele gebeuren maar niet langer zou duren dan de tijd die ervoor stond (ongeveer een week dus) en de kermis 'daags na den laatsten Zondag door alle kramers geene uitgezonderd zal worden geruimd'.
Een voorstel van de 'Heeren Geestelijken' tot afschaffing, 1846
Er was nog geen jaar voorbij of het wel of niet houden van kermis werd opnieuw ter discussie gesteld. Maar dit keer ging het wat verder. In een 'adres' van de 'Heeren Geestelijken alhier aan het Plaatselijk Bestuur ingediend' betogen deze een volledige afschaffing van de kermis 'of althans tot uitzondering der Zondagen'. Inderdaad leek de kermis nogal eens averechts te werken op de gebruikelijke normen- en waardenstandaard van de gewone man. Zo was openbare dronkenschap geen uitzondering. Wellicht was het dus allemaal niet zo kwaad bedoeld van kerkelijke zijde, maar de predikant en de pastoor hadden 'de algemeene geest der Ingezetenen' helaas tegen. Volgens de raad zouden vele neringdoenden 'voor een aanmerkelijk deel in hunne broodwinningen (...) worden benadeeld'. Bovendien was het bij een dergelijk verbod te verwachten dat men toch kermis zou houden, maar op afzonderlijke plaatsen en buiten de gemeentegrenzen, zodat direct politietoezicht werd bemoeilijkt. Men besloot dus afwijzend te beschikken op het verzoekschrift van de heren geestelijken.
Cholera, 1849
Bakker Rotteveel (1804-1880) schrijft in zijn memoires dat in augustus 1832 de cholera uitbrak in Lisse. In 1849 was dit wederom het geval. Voor degenen die aan de ziekte mochten komen te lijden waren het jaar ervoor al de benedenvertrekken van het raadhuis op het Vierkant op orde gebracht. In september was de situatie zodanig dat men opnieuw het wel of niet doorgaan van de kermis in de gemeenteraadsvergadering ter sprake bracht. Aangezien inmiddels andere gemeenten hadden besloten dat jaar geen kermis te houden, vormde dit voor de raad een goede reden om voor wat betreft Lisse hetzelfde te besluiten en op die wijze deelneming te betuigen in de 'treurige omstandigheden van andere gemeenten'. Bovendien zou bij een dergelijk evenement, waar doorgaans veel volk op de been was, de kans op besmetting ook groter zijn. Tevens werd besloten ook andere 'openbare vermakelijkheden in of buiten Logement of Tapperijen bij dag of bij nacht' geen doorgang te laten vinden. Vandaar dus dat onze bakkersvrouw aan het begin van dit artikel zo 'bezwaard' (teleurgesteld) was en vroeg of de burgemeester niet alsnog genegen was haar toestemming te verlenen een poffertjeskraam op te richten in Lisse.
Het spreekt vanzelf dat het gemeentebestuur alle medewerking verkreeg van de plaatselijke geestelijkheid. Per brief van 21 september werd hiervan dan ook mededeling gedaan aan de burgemeester.
Nogmaals een dreigende cholera-epidemie, 1853
Vier jaar later openbaarde de gevreesde 'Cholera-ziekte' zich nogmaals in de nabijheid van Lisse. Een aantal ingezetenen, waaronder Jan Raimond Affourtit, hadden daarop een 'adres' gericht aan het gemeentebestuur met het verzoek de kermis niet door te laten gaan. Het had nogal wat onrust veroorzaakt 'zoo wel bij de neringdoende ingezetenen (...) als bij de vele voorstanders der kermis die vermeenen dat men hunne ontspanning en vermaken niet zoude gunnen'. In de raadsvergadering van 22 september 1853 werd het verzoekschrift ter sprake gebracht, maar buiten behandeling gelaten, vanwege een nogal ambtelijk aandoend excuus, namelijk omdat 'het adres niet van een zegel voorzien is'. Maar om toch verder oplopende spanning en ontevredenheid te voorkomen, werd besloten de kermis gewoon door te laten gaan. Een verbod op de kermis zou niet alleen velen schaden in hun inkomsten, maar 'nog meerdere in het nemen van hunne vermaken', wat grote sociale onrust ten gevolge kon hebben, zoals de ondervinding inmiddels meermalen aangetoond had.
Conclusie
Het is duidelijk dat de gewone man rond het midden van de negentiende eeuw een groot belang hechtte aan een middel tot vermaak als de kermis. Wie hem dat ontnam, kwam in een bijzonder slecht blaadje te staan. Men moet ook goed bedenken dat het dagelijks leven van de gemiddelde dorpsbewoner in die tijd veel te wensen over liet. Een hoge kindersterfte, gebrek en ziekte speelden er een belangrijke rol in. Verder komt uit de stukken ook een duidelijk economisch motief naar voren: de kermis vormde een belangrijke inkomstenbron voor de middenstand.
Zo kon het dan gebeuren dat toen in 1833 eveneens een verbod op het houden van de kermis was afgekondigd door het Lissese gemeentebestuur, de vrouw van de plaatselijke herbergier zeer geïrriteerd raakte tegenover de veldwachter. Meer daarover in een artikel van de hand van Maarten van Bourgondiën in dit zelfde nieuwsblad.
Gebruikte bronnen:
Gebruikte bronnen:Gemeentearchief Lisse inv.nrs. 513, 598.
|