Onder de gemeenten in de bloembollenstreek, waar de bloembollencultuur zich in een zeer snel tempo ontwikkelde,
heeft Lisse altijd een voorname plaats ingenomen. Vond men hier in vroegere tijden een welvarende landbouwbevolking,
die behalve de landbouw ook de tuinbouw uitoefende, zoetjesaan rukte de bollenteelt op.
We gaan in een paar
afleveringen mee met Mattheus Brouerius van Nidik en Isaac le Long in hun beschrijving van Lisse in het "Kabinet
van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden". En zet u maar schrap, want er is getracht de oorspronkelijke tekst te
behouden.
"Uit het vermacklijk dorp Hillegom voortwandelend langs den ruimen Heerenweg, eene lange reeks van binnen- of
lage duinen aan de rechter, en het Leidsche meer aan de linkerzijde houdende, voorbij de Gerrit Avenweg, de
Keizersloot en Verbogenvaart, nadert men het lang uitgebouwde dorp Lis, door eene lange straat, met eenige
zijstraten en gangen doorsneden; voortgaande ontmoet men De Kerk, waarop een hoog gebouwde en vierkante toren,
met een lage kap gedekt, en geheel van tras- of duinsteen opgebouwd. De teekenaar heeft beiden in die gedaante
afgeteekend, gelijk dezelven in het jaar 1630 vertoonden; liggende het choor of agterste gedeelte der kerk,
sedert den inlandschen oorlog met den Spanjaarden, elke, voornamelijk van het jaar 1572 tot 1580, in deze streken
gewoed heeft, voor het grootste gedeelte ingestort. De heerlijkheid van Lisse, weleer, in den jare 1591, een
eigendom van den heer Johan van Mathenesse, en tegenwoordig toebehoorende aan Frerik Heerman, Heer van Dever,
Rumpt en Vromestein, ligt tussechen de ambagtsheerlijkheden van Sassenheim en Hillegom, tusschen het Leidsche
en Kagermeer, en tusschen de heerlijkheden van Voorhout en Noordwijkerhout."
|